Een betere openbaar spreker: met taal

Public speaking is voor de meeste een nachtmerrie waar ze voor het eerst van hebben gehoord op school. Het is ook erg moeilijk, en maar weinig mensen kunnen dit van nature erg goed. Het is echter ook goed aan te leren, en in dit artikel zal ik je een paar tips geven om deze vaardigheid te verbeteren. Ik ga vooral in op de taal.

  1. Gebruik sterke taal in je presentatie. Met sterke taal wordt bedoelt dat het een beeld moet opwekken in het hoofd van de luisteraar. Je zou bijvoorbeeld “rood” kunnen zeggen, dit is echter niet erg stimulerend. Cursussen van G trainingen zijn daarom ook niet af te raden. Wat je daarentegen zou kunnen zeggen is “brandweer-rood” bijvoorbeeld.
  2. Vermijdt vulgaire of beledigende taal. Soms is een welgeplaatst scheldwoord grappig of geeft het de toon goed weer, maar veel vaker levert het weinig op en kan het verkeerd overkomen.
  3. Identificeer en elimineer zwakke taal. Dit borduurt weer verder op punt 1, waar je sterke taal moet gebruiken. Zwakke taal zijn woorden of zinnen die weinig toevoegen en enkel als opvulmiddel gebruikt worden. Een woord dat je verhaal niet versterkt maar juist verzwakt. Wanneer je een tekst analyseert moet je het opbreken in zo klein mogelijke stukken. Het meest voorkomende zwakke woord is ‘uhm’, andere voorbeelden zijn ‘je weet wel’ enzovoorts. We zeggen deze woorden vaak omdat het ons tijd geeft om iets te bedenken wat wel betekenis heeft. Het is beter om zoiets te zeggen dan een vreemde stilte wordt vaak gedacht. Een stilte kan echter de aandacht trekken en je publiek niet vervelen.
  4. Varieer in tonatie. Een persoon die in één toon spreekt is monotoon en saai. Start de ene keer de zin luid en duidelijk, en de andere keer wat zachter en leg de toon dan op een ander zinsdeel.
  5. Varieer in snelheid. Monotone snelheid is net zo erg als monotone tonatie. Het maakt niet uit of je sneller of langzamer gaat praten, het is wel erg belangrijk om je snelheid te variëren en dit te oefenen. Je spreekt niet in zinnen, je spreekt in zinsdelen of woordgroepen. Ga bij een woordgroep wat sneller dan bij de ander. Neem een pauze tussen zinnen of belangrijke punten. Publiek spreken is ook erg lastig.